Een jonge vrouw wendt zich tot mij als advocaat. De vader en moeder hebben een affectieve relatie gehad en er is één minderjarig kind van 7 jaar oud. De jongen is door de vader erkent en heeft zijn hoofdverblijf bij moeder. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit. 

De vader verzoekt op grond van artikel 1: 253a van het BW een omgangsregeling vast te stellen.

Namens moeder wordt verweer gevoerd. De verzoeken van vader zijn de jongen drie weekenden bij zich te hebben van vrijdag na school tot zondag 18:30 uur en de helft van de vakantie en feestdagen. 

De moeder voert aan dat zij in verband met de veiligheid van haar zoon het in zijn belang vindt – gelet op de alcoholproblematiek van de vader dat ver terug gaat op zijn verleden en meerdere terugvallen kent – alleen begeleidde omgang van de familie van vaders zijde. Moeder stelt overigens dat zij het ook in belang vindt van haar zoon dat er contact is met vader, maar wel op begeleide basis.
Ouders zijn meerdere hulpverleningstrajecten verder waaronder Jeugd en Gezin en Ouderschap Blijft.

De Rechtbank beschikt dat er voorlopig éénmaal in de twee weken omgang zal zijn tussen de vader en zijn zoon, maar wel begeleid door familie en de Raad voor de Kinderbescherming zal een onderzoek verrichten en de Rechtbank nader adviseren.